Geschiedenis
De verhalenboerderij Arcadia werd in september 1994 opgericht en sindsdien staat hij in voortdurende belangstelling van de Bredase verhalenliefhebbers, en ver daarbuiten.De vertelkring komt maandelijks bijeen om zich te bekwamen in het vertellen van verhalen, maar ook op uitnodiging gaan vertellers naar verenigingen en particulieren om een verjaardag, een buurtfeest of jaarvergadering een extra accent te geven met een goed verhaal.
Omdat het geheel gaaf bewaard is gebleven, nu eindelijk volledig gerestaureerd, is de boerderij in de jaren zeventig tot rijksmonument verklaard, agrarische bouwkunst uit de negentiende eeuw, de moeite waard om te behouden.
Gebouwd in 1837 door een pastoor uit Klundert voor zijn drie ongetrouwde zussen. Het is een brabantse langgevelboerderij, d.w.z. huis en stal voor de koeien staan achter een lange voorgevel. Richting oost – west, aan de zuidkant voor de mooie kamer twee linden om in de zomer te beschermen tegen de felle zon. Boven het huisgedeelte was de graanzolder en boven het stalgedeelte de hooizolder. Deze ruimte is nu ingericht als verhalenzolder. Het hooi werd door het hooiluik aan de westzijde naar binnen gegooid, gewoon los op de zolder. In het open stuk tussen woning en koeien kon het naar beneden worden gegooid om in de winter de koeien te voeren. Daar, op de deel stonden de melkbussen, werd er gekarnd, daar stond ook de wastobbe, en vaak werd daar het eten klaargemaakt, zeker in de zomer.

Het huis, het woongedeelte, was meestal in vieren gedeeld: keuken, opkamer, voor- en achterkamer. In de voorkamer was de schouw, waar op de grond vuur gestookt kon worden in de winter en waar de hammen in werden gerookt. Zittend in de schouw kon de boer door een kleine opening zijn veestapel overzien. In de achterkamer waren de bedsteden waar de kinderen sliepen. De boer met zijn vrouw sliep bij voorkeur op de opkamer. Onder de opkamer, is de kelder voor het bewaren van de wintervoorraad : het geslachte varken, maar ook fruit en de voorraad in weckflessen. De kraamvrouw verbleef doorgaans in de bedstee in de ‘mooie kamer’, daar kon visite ontvangen worden en de boreling lag in de kribbe aan het voeteneind van de echtelieden. Dit alles is nog volledig intact.
De Brabantse boer van weleer had een gemengd bedrijf. Ze hadden een kleine veestapel, voornamelijk koeien en daarnaast werd er graan verbouwd, rogge, gerst en tarwe. Dat werd opgeslagen in de grote Vlaamse schuur, in het middengedeelte en de lage zijbeuk. De twee grote deuren aan de hoge kant dienden voor het inrijden met een volle vracht en aan de andere zijde er uit te rijden met een lege kar. In de winter werd daar met de vlegel gedorst, op de lemen vloer.
De kleine Vlaamse schuur noemen ze hier de ‘Karkooi’, de plek waar de rijtuigen van de boer werden gestald. Daarmee trok men in het zondagse pak op zondag ter kerke, of op andere dagen naar de markt of op familiebezoek. Daarnaast is er het bakhuis, waar eenmaal in de week brood werd gebakken voor het huisgezin, en voor de inwonende knechts en meiden. Een gedeelte van de graanoogst werd naar de plaatselijke molenaar gebracht en kwam als meel terug voor het bakken van het brood.